Wetenschapscollege 1: taal en lezen als fundament voor digitale geletterdheid
Hoe geef je digitale geletterdheid een stevige plek in je onderwijs? En hoe hang je dat op aan bestaande vakken zoals Nederlands? In het eerste wetenschapscollege van het Expertisepunt digitale geletterdheid onderzoeken Anneke Smits en Remco Pijpers de rol van taal en lezen als fundament van digitale geletterdheid. In het bijbehorende praktijkcollege laat Matijs Lips zien hoe hij dit in zijn lespraktijk toepast. Bekijk het college hieronder en laat je inspireren.
Wetenschapscollege door Anneke Smits en Remco Pijpers
Transcript
Wetenschapscollege 1: taal en lezen als fundament voor digitale geletterdheid
De wetenschapscolleges van het Expertisepunt digitale geletterdheid zijn bedoeld voor onderwijsprofessionals die digitale geletterdheid doordacht willen integreren in hun onderwijs. In elk college doe je inspiratie op met interessante sprekers in een wetenschappelijk deel.
Hoe geef je digitale geletterdheid een stevige plek in je onderwijs? En hoe hang je dat op aan bestaande vakken zoals Nederlands? In het eerste wetenschapscollege van het Expertisepunt digitale geletterdheid onderzoeken Anneke Smits en Remco Pijpers de rol van taal en lezen als fundament van digitale geletterdheid.
Volgende onderwerpen komen aan bod:
- Hoe kunnen we digitale geletterdheid begrijpen? (vanaf 01.57)
- Wat weten we uit onderzoek? (vanaf 10.29)
- Over leerkrachtvaardigheden met betrekking tot informatievaardigheden (vanaf 38.50)
Remco Pijpers is de host van dienst.
De host en de spreker zitten in een studio aan tafel.
Het logo van Expertisepunt digitale geletterdheid, een gestileerde X met een stip in het midden, verschijnt in beeld.
Beeldtekst:
Remco Pijpers
Stichting Kennisnet
REMCO: “Welkom bij het wetenschapscollege van Expertisepunt digitale geletterdheid. Mijn naam is Remco Pijpers, werkzaam bij Kennisnet. Ik begeleid dit college, dat gegeven wordt door Anneke Smits van Windesheim. Anneke, welkom.”
ANNEKE: “Dank je wel.”
REMCO: “Jij gaat het allereerste college verzorgen. ‘Digitale geletterdheid onderwijzen’ geheten. We doen het als volgt: Anneke vertelt haar verhaal, maar ik doe er wat begeleiding bij. Dus ik mag haar onderbreken om haar vragen te stellen. Maar het is vooral Anneke die aan het woord is. Anneke, kun jij jezelf misschien kort voorstellen?”
Beeldtekst:
Anneke Smits
Lector Hogeschool Windesheim
ANNEKE: “Ik ben Anneke Smits, lector Onderwijsinnovatie en ICT bij Windesheim. Ik heb een aantal reviews gedaan over digitale geletterdheid. En digitale geletterdheid is een van onze onderzoekslijnen. Natuurlijk een belangrijke omdat we daar steeds meer mee moeten doen op scholen.”
REMCO: “Je hebt onder meer voor NRO, voor de website Onderwijskennis.nl, een groot artikel geschreven, gebaseerd op onderzoek.”
ANNEKE: “Ja, en ook nog voor de onderwijsinspectie over wat werkt voor digitale geletterdheid in het VO.”
REMCO: “Voordat we gaan beginnen is het misschien voor de kijker belangrijk en nuttig te weten dat we behalve het wetenschapscollege ook een praktijkcollege aanbieden. Dat wordt verzorgd door iemand uit de onderwijspraktijk, een leraar in het PO, in het VO of het speciaal onderwijs. Dat bieden we naast het wetenschapscollege aan. En dat is in jouw geval Matijs Lips, docent Nederlands. Die een fantastisch verhaal vertelt dat mooi aansluit op het verhaal dat jij nu gaat vertellen. Laten we starten. Met een vraag waar jij antwoord op kunt geven. Ondersteund door slides, neem ik aan. Hoe kunnen we digitale geletterdheid begrijpen? Dat vind je vast een hele leuke vraag.”
ANNEKE: “Dat is een leuke vraag, ja. Ik denk dat mensen gewoon zo’n soort beeld, een soort mechanisch beeld hebben van digitale geletterdheid. En ik weet dat in het onderwijs, tenminste, daar heb ik zelf onderzoek naar gedaan, in het basisonderwijs in ieder geval. Dat leraren vaak denken dat het gaat om hands-on. Hoe handig ben je ermee? En eigenlijk is dat ontzettend aan het veranderen. Dat komt door de ontwikkeling van het internet.”
REMCO: “Dus het is niet gek dat je dat denkt, handig zijn…”
ANNEKE: “Dat is helemaal niet gek dat je dat denkt. Het is aan de andere kant op dit moment steeds minder nodig om zo ontzettend handig te zijn ermee, omdat alles zo shockproof en zo eenvoudig is qua interface dat je eigenlijk nergens handig mee wordt.”
REMCO: “Nee, een kind kan de digitale was doen.”
ANNEKE: “Een kind kan de digitale was doen. Ik bedoel, je klikt op een icoon en het is zo ongeveer klaar. En dat is heel wat anders dan vijftien jaar terug. Het is nog wel wat anders om met Word en met PowerPoint goed te kunnen werken. Dat is niet alleen maar het klikken op een icoon. Dus er zijn nog programma’s waar je toch wel degelijk je weg in moet weten. Op dit moment maakt de staat van het internet dat je vooral ook met elkaar na moet denken over: Wat is nou soms goed en wat is helemaal niet goed op internet?”
REMCO: “Dus het onderscheid kunnen maken.”
ANNEKE: “Internet is eigenlijk een hele wereld waarin kinderen zich bevinden. En waarin wij ons bevinden. Een wereld naast de fysieke wereld. En het is een dramatisch ongereguleerde wereld.”
REMCO: “Nog steeds, hé.”
ANNEKE: “Nog steeds. Het wordt in belangrijke mate heden ten dage bepaald door commerciële belangen. En dat wil zeggen: ik grijp je aandacht met leuke kattenfilmpjes of whatever. En ik houd je aandacht zo lang mogelijk vast, want dan kan ik je zoveel mogelijk reclame laten zien. Of ik zorg dat je zoveel mogelijk berichtjes post, zodat ik die vervolgens kan aftappen om AI te trainen. Dat wil zeggen: wij betalen met onze aandacht. Wij betalen met onze data, met wat wij gemaakt hebben. Het ultiem menselijke, wat wij gemaakt hebben. En dat wordt gebruikt om AI intelligent te laten lijken.”
ANNEKE: “Daarnaast is er een enorme wereld van politieke destabilisatie, van politieke beïnvloeding en van misdaad op het internet, waar kinderen, als je niet oppast, ook vrij gauw mee in contact komen. Dus we zien op dit moment dat vijf-, zesjarige kinderen al in contact zijn met dingen die ze niet zouden moeten zien op die leeftijd op internet. Dat ze al dingen te zien krijgen. Aan de andere kant is er ook een zonzijde van het internet.”
REMCO: “Ja, want nog steeds is er genoeg moois te vinden.”
ANNEKE: “Want nog steeds is er genoeg moois te vinden. Dat betekent dat we niet in deelvaardigheden moeten kijken naar digitale geletterdheid, maar op een andere manier. En voor mij is dat mooi verwoord in de definitie van Helsper waar wij vanuit gaan in ons lectoraat.”
Anneke projecteert de cover van het boek The digital disconnect – The social causes and consequences of digital inequalities van Ellen J. Helsper
Beeldtekst:
Digitale geletterdheid (Helsper, 2021)
het vermogen om ICT zo te gebruiken (of te besluiten dit niet te doen) dat leidt tot positieve uitkomsten voor mensen.
EN
het vermogen om negatieve uitkomsten te voorkomen in alle domeinen van het dagelijkse leven voor jezelf en voor anderen, nu en in de toekomst.
ANNEKE: “Die belicht zowel de positieve als de negatieve zijde. En die zegt over de positieve zijde: Digitale geletterdheid is jouw vermogen om ICT zo te gebruiken of om te besluiten niet te gebruiken, specifiek ICT niet te gebruiken, zodat het leidt tot positieve uitkomsten. Voor jezelf, voor de ander en voor de wereld. Voor de wereld is ambitieus, maar oké. Dus dat zijn de positieve uitkomsten.”
REMCO: “Dat is voor nu en in de toekomst?”
ANNEKE: “Dat is ook voor nu en in de toekomst. Dit benadrukt dat mensen in de lead zijn. ICT is niet een onafwendbaar verschijnsel, maar wij zijn in de lead. Wij bepalen of we dit wel of niet gebruiken. Daar voorafgaand luisteren we niet naar de reclame van de producent. Maar wij praten met elkaar rondom een aantal vragen, onder andere beschikbaar bij Kennisnet, waarvan we afleiden: willen we dit nu eigenlijk wel gebruiken of zijn er goede redenen om dit niet te gebruiken? ICT-gebruik is niet onafwendbaar, staat hier. Wij zijn in de lead.”
ANNEKE: “Het tweede deel gaat over het negatieve aspect van ICT. Het vermogen is jouw vermogen om negatieve uitkomsten te voorkomen in alle domeinen van het dagelijks leven. Dus het financiële domein, het sociale domein, het intellectuele domein, het voedingsdomein, noem het maar op. Voor jezelf en voor anderen, nu en in de toekomst.”
REMCO: “Dus digitale geletterdheid niet als een soort individueel ding.”
ANNEKE: “Digitale geletterdheid is niet een soort individueel ding, want als je het digitale zou weghalen, of zelfs het woord geletterdheid, dan geldt het voor je hele leven.”
REMCO: “Maar het is heel relationeel, als ik je goed begrijp.”
ANNEKE: “Het is heel relationeel. Het zet de mens en de menselijke interactie voorop. Dit alles betekent dat de huidige visie op digitale geletterdheid vooral gaat over hogere orde cognitieve vaardigheden. En over het voortdurend met elkaar doorontwikkelen van het denken over de digitale wereld.”
REMCO: “Dus niet alleen dat praktische, met de handjes…”
ANNEKE: “Niet alleen het praktische met de handjes. Dat heb je wel nodig om iets te kunnen doen.”
REMCO: “Met systemen leren werken, met Word, PowerPoint en al die andere systemen.”
ANNEKE: “Nou, niet met alle systemen, maar met een aantal systemen goed leren werken blijft belangrijk. Maar dat is geen hedendaagse digitale geletterdheid.”
Anneke projecteert de voorpagina van het ICILS-rapport 2023.
Beeldtekst:
Complexe cognitieve vaardigheid (ICILS 2023)
Ongelijkheid: onderwijstype, sociaaleconomische status
(Krepel et aol., 2024; Scherer & Siddiq, 2019; Swart et al., 2023)
ANNEKE: “Ook uit het ICILS-rapport komt naar voren: het is een complexe cognitieve vaardigheid. En dat vergt open interactie. Die open interactie is van belang voor alle leerlingen, maar is in het bijzonder ook van belang voor kinderen die met lage digitale geletterdheid op school komen. Eigenlijk voor alle kinderen waarvan de ouders er niet in slagen dat goed te begeleiden. En dat zijn er veel, want ouders zijn net zo onthand als wij in het onderwijs. En krijgen nog sneller dan wij conflicten hierover met hun kinderen als ze dit aan de orde gaan stellen. Bij kinderen tot en met de havo ontbreken precies dit soort hogere ordevaardigheden op het vlak van digitale geletterdheid. In het vwo gaat dat beter. En aan de andere kant ontbreekt het ook gauwer bij kinderen uit milieus met lager opgeleide ouders. Die zijn daartoe vaak, maar niet altijd, minder in staat. Dat betekent dat we, om risico’s in die doelgroep te voorkomen, extra speciaal actief moeten zijn met die kinderen op dit vlak én met hun ouders.”
REMCO: “Oké, je hebt het over open interactie. We hebben het gehad over: hoe kunnen we digitale geletterdheid begrijpen? Maar er valt vast wel meer over te zeggen. Wat weten we over deze zaken uit het wetenschappelijk onderzoek? Wat kun je daarover vertellen?”
Anneke projecteert de planning van het college.
Beeldtekst:
Voorwaarden voor digitale geletterdheid
Hogeschool Windesheim
De digitale wereld wordt steeds complexer. Het is belangrijk dat leerlingen daar actief en kritisch mee leren omgaan. Leraren kunnen hen daarbij begeleiden vanuit kennis over voorwaarden voor…
- Algemene kenmerken
- Leesvaardigheid stimuleren
- Basisvaardigheden en ICT op school
- Informatievaardigheden
- Praat je digiwijs
ANNEKE: “We gaan vijf kleine blokjes behandelen. En dan gaan we het hebben over de algemene kenmerken van digitale geletterdheid. Wat is nu in zijn algemeenheid belangrijk om digitale geletterdheid te bevorderen? We gaan het hebben over het belang van het stimuleren van leesvaardigheid. We gaan het hebben over de basisvaardigheden en daaraan gekoppeld het gebruik van ICT op school. Het vierde blokje is informatievaardigheden. En het vijfde, dat is praat je digiwijs. Daar gaat het over de open interactie tussen de leraar en de kinderen.”
Beeldtekst:
- Algemene kenmerken
- Begin op jonge leeftijd
- Stuur aan op begrip en kritisch denken (hogere orde denken)
- Interactie en ondersteuning
- Pedagogische relatie
Cowell et al., 2013; KB Nationale bibliotheek, 2021
ANNEKE: “Algemene kenmerken. Op jonge leeftijd. Je ziet hier een klein meisje zitten op de trap met haar iPadje. Het is niet: hoe vroeger aan de iPad, hoe digitaal geletterder. Je zou zeggen: eigenlijk het omgekeerde. Dus we moeten met z’n allen ook bewustzijn stimuleren dat schermtijd op jonge leeftijd niet een fundamentele bijdrage levert aan de ontwikkeling van kinderen. Maar dat betekent ook dat de constatering op dit moment nog, nu dat bewustzijn nog niet algemeen is, dat we daar uiterst voorzichtig mee moeten zijn. En uiterst beperkend mee moeten omgaan. Dat we op scholen realistisch moeten zijn en moeten zeggen: deze kinderen, vanaf groep één al, en in ieder geval vanaf groep drie, zitten al vaak zo actief en zo ongereguleerd op internet dat we met ze moeten praten over hun ervaringen. En dat we niet noodzakelijkerwijs op school die ervaringen verschrikkelijk moeten uitbreiden, noch de schermtijd.”
REMCO: “Nu zegt SLO in de kerndoelen die gaan komen, waarvan we nu nog alleen de concepten zien, dat je ook in die onderbouw met die kerndoelen aan de slag moet. Bijvoorbeeld kinderen laten kennismaken met digitale systemen.”
ANNEKE: “Je kan ervan uitgaan op dit moment dat kinderen kennisgemaakt hebben met digitale systemen, en dat dat een probleem is. Dus dat we het probleem moeten adresseren. Dat we daarover in contact moeten gaan met kinderen.”
REMCO: “Oké, dus dat is een manier om aan dat kerndoel…”
ANNEKE: “Dat is een manier om…”
REMCO: “…om aan dat kerndoel te voldoen.”
ANNEKE: “…aan dat kerndoel te voldoen.”
REMCO: “Dus je zegt: we weten uit onderzoek dat schermgebruik thuis en in de klas bij jonge kinderen niet goed is voor hun digitale geletterdheid. Los nog van hun welzijn.”
ANNEKE: “De meeste vormen van schermgebruik zijn helemaal niet zo goed voor digitale geletterdheid.”
REMCO: “Maar je kunt wel degelijk met die kerndoelen aan de slag gaan zonder dat er altijd een scherm aan te pas hoeft te komen.”
ANNEKE: “Ja, ik ben een groot voorstander, en met mij wel de literatuur, voor unplugged vormen van digitale geletterdheid in het onderwijs.”
REMCO: “Ga verder.”
ANNEKE: “Dus begin op jonge leeftijd en negeer het niet. Stuur aan op begrip van de digitale wereld, op wat hij met ons doet en op kritisch denken daarover. Zodat je van jongs af aan al goed van fout leert onderscheiden. Daar kan je met jonge kinderen al over praten. En het grappige is dat ze soms van een geweldige wijsheid getuigen. Dus dat je heel vrolijk wordt als je kinderen hierover aan het woord laat. Ook kleine kinderen.”
REMCO: “Spreek je ze wel eens dan? Heb je een mooie anekdote hierover?”
ANNEKE: “Met name een van de scholen waarmee ik werk en die dan altijd zeggen: als je even langer je mond houdt als leraar en je laat ze op elkaar reageren, dan sta je versteld van wat er uit deze kinderen komt. Dat ze ook zelf kunnen zeggen dat zoveel schermtijd eigenlijk ertoe leidt dat je je niet zo goed meer voelt. Kinderen kunnen op dit vlak heel veel en je kunt met kinderen praten over: wat gaan we dan afspreken? En wat doet dat digibord eigenlijk met je? Dat je daar de hele dag maar naar een digibord zit te kijken?”
REMCO: “Dus het praten over ervaringen, ook al met jonge kinderen.”
ANNEKE: “Ook over ervaringen in je eigen klas, waardoor je zelf soms anders tegenover het gebruik van digitale middelen komt te staan. Ja, ook met jonge kinderen. En dat kan heftig schrikken zijn, want ze kunnen ook vertellen over plaatjes die ze gezien hebben. Vanuit jouw normen wil je niet dat ze bepaalde plaatjes gezien hebben. Het vakmanschap van de leraar is toch dat je daar dan even open op in gaat. Dat je niet meteen zegt (LUIDE STEM): Dat mag niet en ik ga je ouders bellen.”
(GELACH)
REMCO: “Dus die afstemming met ouders is van belang. Maar je zegt ook: de ervaring van kinderen. En het feit laten ervaren met een ander kind. Dus dat relationele…”
ANNEKE: “Het relationele benadrukken. De discussie over het een-op-eenbeleid in het onderwijs. Dus het invoeren van laptops of tablets voor iedereen. Er is nooit iemand van gelukkig geworden. Want we wisten eigenlijk al lang dat als je kinderen met zijn tweeën achter een computer ging zetten, dat ze dat beter gingen doen. Dus alles wat eigenlijk de hoeveelheid oogcontact uitbant, dus de hoeveelheid oogcontact sterk vermindert. Alle activiteiten met computers, eigenlijk niet zo gewenst in het onderwijs. Terwijl als je met zijn tweeën moet discussiëren wat het antwoord gaat worden, wordt het wel lawaaieriger, maar het wordt meteen beter onderwijs.”
REMCO: “Maar het hoopvolle is dat het dus niet per se weg moet.”
ANNEKE: “Het moet niet per se weg. Maar we moeten heel goed nadenken: hoe lang doen we dit? Hoeveel functie heeft het?”
REMCO: “En in welke context?”
ANNEKE: “En in welke context doen we dit eigenlijk? En wat is onze rol daarbij? Dus niet gewoon gedachteloos erachter zetten. Nou, gedachteloos zal meestal niet gebeuren. Dan hebben we het eigenlijk over het belang van interactie en ondersteuning. Dat is het derde puntje hier: het belang van interactie en ondersteuning. Dat is interactie tussen de leraar en de leerling tijdens het ICT-gebruik en over ICT-gebruik. Dus zelfs in de afwezigheid van ICT kan het nog over ICT gaan. En het belang van ondersteuning. Laat kinderen niet alleen modderen. Zorg dat je het voordoet, dat je het samen doet, dat je het met kinderen doet. Zodat ze het wezenlijk goed kunnen.”
ANNEKE: “Dit alles kan eigenlijk alleen maar in een goede pedagogische relatie. Dus digitale geletterdheid, maar ook de bredere kijk op menswording. Want daar gaat het ook over. Dit is eigenlijk een menswordingsdefinitie van digitale geletterdheid. Zonder daarmee vaag te worden, want het is best allemaal heel concreet. Dat gebeurt in een pedagogische relatie. Dat betekent: we kunnen niet een bedrijfje van buitenaf inhuren dat het wel even doet. We kunnen ook niet een digibord aanzetten dat even lesgeeft voor ons over dit onderwerp. We zullen het zelf moeten doen.”
REMCO: “Op zich kan dat natuurlijk allemaal wel. Het risico is dat je die relatie vergeet, dat je dat uitschakelt?”
ANNEKE: “Dat je dat uitschakelt?”
REMCO: “Je kunt het uitbesteden. Die relatie kun je niet delegeren aan iets anders.”
ANNEKE: “Nee, het blijkt dat hoe positiever leerlingen zijn over de pedagogische relatie, hoe betere resultaten ze hebben op een toets voor digitale geletterdheid. En dan gaat het in het bijzonder over informatiegeletterdheid.”
REMCO: “Ja.”
ANNEKE: “Wij mensen leren van mensen. Maar we leren vooral van mensen waarmee we een prettige relatie hebben. Waarmee we een goede afstemming kunnen bereiken.”
REMCO: “Dus een leerkracht die iets uitlegt op een scherm, daar ben je in een relatie mee. Dus… Maar als een leerling een oefening doet op een computer, dan kan dat wel. Maar je moet altijd erbij blijven, in gesprek blijven. Als je dat niet doet, dan is het een relatie tussen dat scherm en dat kind. En dan verdwijnt die pedagogische relatie.”
ANNEKE: “Zodra het alleen maar op het scherm gebeurt, verdwijnt de menselijke afstemming. Kijk, je kunt iets op het scherm laten gebeuren, maar dan moet je meteen weer in afstemming daarover gaan.”
REMCO: “Oké, Anneke, het volgende aspect is: leesvaardigheid stimuleren als een belangrijk aspect waar we best wel veel over weten uit onderzoek, toch?”
ANNEKE: “Ja, ja.”
Beeldtekst:
2. Leesvaardigheid stimuleren
Digitale teksten
Korte non-fictieteksten op papier
Hele boeken
ANNEKE: “Leesvaardigheid is een belangrijke voorwaarde voor goede digitale geletterdheid. En leesvaardigheid is natuurlijk een aspect van digitale geletterdheid, want er valt een heleboel te lezen op internet. En met name de langere en betere teksten dragen bij aan onze ontwikkeling. Dus als je het hebt over positief gebruik, dan is dat afhankelijk voor een groot deel van leesvaardigheid. En door leesvaardigheid doe je ook veel kennis op waardoor je je kritischer kunt opstellen ten opzichte van de content. Nou zou je denken: wat een leuke combinatie. We gaan gewoon leesvaardigheid oefenen in digitale teksten.”
Er verschijnt een rode neerwaartse bij naast ‘Digitale teksten’.
ANNEKE: “Nou blijkt dat leesvaardigheid oefenen in digitale teksten een negatief effect heeft op de leesontwikkeling. Dus dat is jammer. Dus begrijpend lezen, digitaal oefenen? Beter van niet.”
Er verschijnt een geel kruis naar ‘Korte nonfictieteksten op papier.
ANNEKE: “Korte nonfictieteksten oefenen op papier. Daar vragen bij stellen en dergelijke. Kort, dan kan je denken aan één of twee bladzijden. Of nog minder. Tamelijk effectloos. Dat gele kruisje op de dia betekent: doet niet veel. Eigenlijk weten we dat met name het lezen van hele boeken, het zelf lezen en voorlezen van hele boeken, leidt tot goede effecten op de leesvaardigheid. Dat is heel duidelijk.”
Er verschijnt een groene opwaartse pijl naast ‘Hele boeken’.
ANNEKE: “Maar dat is natuurlijk best lastig af en toe om mee te werken.”
REMCO: “Begrijp ik het nou goed dat je, hoe leesvaardiger je bent, hoe meer je begrijpt van wat je online tegenkomt? Is dat wat je bedoelt?”
ANNEKE: “Eigenlijk is het nog platter. Hoe meer hele boeken je gelezen hebt, hoe beter je om kunt gaan met wat je leest in de digitale wereld.”
REMCO: “En hoe werkt dat dan precies?”
ANNEKE: “Dat werkt zo, omdat je leesbegrip verbetert en je kennis verbetert. En je leesvaardigheid als geheel. Dus ook je technische leesvaardigheid verbetert. Dus internet heeft zo zijn eigen eigenaardigheden met lezen. Het is een beetje nadelig voor leesbegrip. Dat betekent dat je eerst het leesbegrip heel goed voor elkaar moet krijgen, fysiek, in fysieke teksten, voordat je met digitale teksten aan de gang gaat. En dat je fysieke teksten moet blijven lezen om je concentratie ook op peil te houden. Want online lezen is vaak erg versnipperd. En dat versnippert je concentratie in zijn algemeenheid.”
Beeldtekst:
Taal-, kennisontwikkeling en leesbegrip
- Hele boeken centraal
- Denken, schrijven en praten
- Vakintegratie
(o.m. Caviglia & Delfino, 2016; Jerrim & Moss, 2019; Kortlever et al., 2021; OECD, 2015-2021)
ANNEKE: “Dit betekent dat we op school hele boeken centraal willen stellen. Dat we daarover denken, schrijven en praten. Daarover hebben we elders heel veel gepubliceerd in boeken en online. En dat je graag wilt integreren met vakken, omdat je op die manier de toename van kennis nog kunt versterken. Als je de zaakvakken integreert met het lezen van boeken die aansluiten bij die zaakvakken, dan helpt dat geweldig om je kennis te verbreden en te verdiepen. En die kennis heb je nodig om kritisch te zijn op internet.”
REMCO: “Dus het goed kunnen lezen, maar ook veel weten, kennis hebben.”
ANNEKE: “Veel weten, kennis hebben. Maar dat staat niet los van elkaar. Want kennis zijn geen losse brokjes. Kennis doe je bij uitstek ook op door het lezen van hele boeken. Want dan heb je voldoende context om die kennis ook tot een mooi mentaal model te maken. In plaats van kleine brokjes in teksten met vragen erbij. Want dan wordt kennis een los geheel. Het worden losse eilandjes.”
ANNEKE: “Maar hoe kun je dat mooi combineren, dat lezen van hele boeken? We zijn natuurlijk voor kennisthema’s waarbij je boeken leest. Een van die kennisthema’s kan steeds weer zijn: de digitale wereld. Op iedere leeftijd kun je daar anderen boeken bij voorlezen. Op die manier kun je voorlezen aan leerlingen, kinderen. Maar ook aan leerlingen in het VO. Want op die manier luister je allemaal naar hetzelfde boek. En kun je daarna het gesprek aangaan over wat je voorgelezen hebt.”
ANNEKE: “Mooi voorbeeld in het VO is werken met Asociale media van Thijs Launspagh. Gewoon hoofdstuk per hoofdstuk voorlezen en met leerlingen bespreken wat daar gebeurt. En hoe ze daar zelf in staan en welke normen ze daar eigenlijk voor zouden willen en wat ze anders zouden willen doen. En dat is een kwestie van een lange adem, dit. Want we hebben allerlei gewoontes al laten ontstaan bij heel veel kinderen. Bij heel veel kinderen zijn we niet vroeg begonnen. Bij jongere kinderen kun je werken met het boek Alles over sociale media. Daar hebben ze het nog in het Nederlands gespeld.”
REMCO: “Dat is non-fictie?”
ANNEKE: “Dat is non-fictie, ja. Dat kun je voorlezen. En dat zijn prachtige, heel concrete teksten waarover je het gesprek kunt aangaan met kinderen. Maar daarnaast kun je ook fictie lezen. En een aantal van die boeken staan hier afgebeeld.”
REMCO: “Ja.”
ANNEKE: “Dus er is keuze genoeg. Er zijn bronnen genoeg. Bijvoorbeeld op de website leesbevorderingindeklas.nl kun je goede boeken vinden als je zoekt op mediawijsheid. Veel websites laten boeken thematisch gerangschikt zien. Dus het is niet moeilijk om aan goede boeken te komen. We gaan over naar blokje drie.”
REMCO: “Oké. Vertel.”
Beeldtekst:
3. ICT op school en basisvaardigheden
- Kies bewust: beperk, fluency
- Meerwaarde voor leerproces, motiverend, hogere orde vaardigheden, produceren
- Student voice
- Leraar ondersteunt
(Gubbels et al., 2020; OECD, 2015-2021; Petko et al., 2017; Smits et al., 2024; Stevenson, 2013)
ANNEKE: “ICT op school. Wij moeten ook die digitale geletterdheid van Helsper hebben. Dat betekent dat we dus nooit onbewust ICT mogen introduceren op school. En er wordt aanbevolen de hoeveelheid ICT in het onderwijs te beperken. En zeer verstandig te kiezen wat je wel en niet daarin doet. En hoeveel schermtijd en hoe je dan toch oogcontact en interactie gaat bevorderen tijdens het gebruik van die ICT.”
ANNEKE: “Zeer beperkt aantal middelen, maar die goed aanleren. En met die middelen vloeiendheid bereiken. En dat moeten eigenlijk altijd middelen zijn die leiden tot hogere orde cognitieve vaardigheden. Dat kan zijn: middelen die goede open vragen stellen, die je vervolgens gewoon meteen bespreekt in de klas. Dan is het niet erg. Dan leidt dat middel niet af van oogcontact en interactie. En dat kan zijn: een middel zoals een tekstverwerker. Of het maken van dia’s waarbij je kinderen laat samenwerken aan mooie presentaties over zinvolle onderwerpen.”
ANNEKE: “Daarbij is het van groot belang om te luisteren naar je leerlingen. Zij moeten een stem hebben in: wat gaan we hier gebruiken? We weten uit onderzoek dat als kinderen positief reageren op software, ze vinden het goede software, dan leren ze daar ook meer van. Als kinderen het slechte software vinden, leren ze daar minder van. Wanneer luisteren we naar kinderen in dit opzicht? Dat is uitzonderlijk belangrijk.”
REMCO: “Kun je één of twee kenmerken noemen van een goede software, waar leerlingen goed op reageren?”
ANNEKE: “Ja, dat is eigenlijk altijd maaksoftware. Dat kan software zijn om zelf mooie filmpjes te editen. Dat is eigenlijk dus altijd software die echt vaardigheden vergt. Die wij actief moeten begeleiden. Dat kan zijn om mooie dia’s te maken. Dat kan zijn om een prachtig boek samen te stellen. Of om aan digital storytelling te doen. Prachtig is het. Er is heel veel software die je daarbij kunt gebruiken. En dan gaat het hier niet om veel, maar het gaat erom dat wij ze zorgvuldig begeleiden naar het maken van zo’n product toe.”
REMCO: “Is er ook een kerndoel, Anneke?”
ANNEKE: “Ja, er is een kerndoel. En dat is natuurlijk heel wat anders dan A, B, C of D aanklikken op je iPad.”
REMCO: “Ja.”
Beeldtekst:
“While students need to be taught about digital technology, this does not mean that students need to be taught through digital technology.”
UNESCO, 2023
ANNEKE: “Dit is de stellingname van UNESCO in 2023. En die zegt ook: we moeten leerlingen dingen leren over digitale technologie. Dat betekent echt niet noodzakelijkerwijs dat daar altijd digitale technologie aan te pas moet komen. We gaan naar blokje vier.”
REMCO: “Heel mooi.”
Beeldtekst:
4. Informatievaardigheden
- Dagelijks samen zoeken en factchecking
- Journalistiek, nieuws en fake news
(McGrew & Breakstone, 2023; OECD, 2021; Smits et al., 2024)
ANNEKE: “Blokje vier is een uitermate belangrijk element van digitale geletterdheid op school en dat wordt onderschat. Blokje vier gaat over informatievaardigheden en dat gaat dus over het bevorderen van de positieve kant van de definitie van Helsper. We weten dat onderwijs invloed kan hebben op informatievaardigheden. Maar het is niet heel gemakkelijk. Dat betekent dat we er steeds weer op terug moeten komen. Daarnaast is het van belang dat leerlingen leren omgaan met: Wat is journalistiek? Wat is goede journalistiek? Wat is fake news?”
Beeldtekst:
Dagelijks zoeken met leerlingen
- Welke zoekmachine gebruiken we? Hoe werkt die? Wat is het verschil met AI?
- Zoeken en click-restraint
- Wie is de bron? Wat zijn diens belangen? Bruikbaar?
- Informatie checken
- Nuttige informatie opslaan en gebruiken
Samen genieten van wat je gevonden hebt!
ANNEKE: “Informatievaardigheden zijn ook op dit moment anders dan vroeger. Informatievaardigheden beginnen tegenwoordig eigenlijk al bij de keuze van de zoekmachine. En bij een discussie over welke zoekmachine kan je nog fatsoenlijk gebruiken? Welke zoekmachines worden door de Europese Unie aanbevolen om te gebruiken? En welke zoekmachines kunnen we niet meer gebruiken?”
REMCO: “In feite zeg je: Leer ze niet zoeken via Google. Alsof dat vanzelfsprekend is.”
ANNEKE: “Ja, sorry, dat er niets meer vanzelfsprekend is.”
REMCO: “Laat ze ook kennismaken met een Ecosia of een startpage.com. Dat dus niet harvest, dat geen data verzamelt.”
ANNEKE: “DuckDuckGo.”
REMCO: “DuckDuckGo. Dus goed leren zoeken betekent, ook weer volgens Helsper, dat je onderscheid weet te maken tussen de verschillende zoekmachines die er zijn.”
ANNEKE: “Ja.”
REMCO: “En dat ze weten dat dat er allemaal is en dat er verschillen zijn.”
ANNEKE: “Ja, dat er verschillen zijn en welke niet met algoritmes werken.”
REMCO: “Ja.”
ANNEKE: “Zodat je niet in een soort bubbel getrokken wordt. We gaan zoeken. Net zoals vroeger hebben we een soort zoekopdracht. Die hoeft aan minder eisen te voldoen, want de technologie vult eigenlijk al meer van je zoekopdracht in. Zonder dat wij het weten, maar dat gebeurt nu eenmaal. Tegelijkertijd gaan we niet meteen wat we gevonden hebben openklikken. We gaan eerst zoeken wat de kwaliteit is van de makers. Dus we openen een nieuw tabblad en vervolgens gaan we kijken: Wie heeft dit gemaakt? En is dat een instantie die we kunnen vertrouwen of weten we daar niks van? Als we daar niks van weten of het is platte reclame, dan openen we die tabjes niet die we gevonden hebben. Dus dat heet clickrestraint. En dit komt eigenlijk allemaal uit de mensen die uitzoeken of iets fake news is of niet. Die hebben hele andere technieken waarmee ze veel sneller bij betrouwbare informatie komen. En het zijn die technieken die nu aanbevolen worden in wetenschappelijk onderzoek.”
REMCO: “De klikvertraging.”
ANNEKE: “Klikvertraging.”
REMCO: “Doe je dat dan als leraar staande voor de groep op een digibord? Laat je zien hoe je het beste kunt zoeken?”
ANNEKE: “Ja, je laat dat zien. Je praat erover met de leerlingen. En dan probeer je de leerlingen jou een beetje te laten begeleiden in wat jij moet doen. Weet je wel…”
REMCO: “Ja, dat je het samen doet.”
ANNEKE: “Gradueel laat je de verantwoordelijkheid overgaan naar de leerlingen. In plaats van leerlingen zomaar te laten zoeken op internet, want dan laat je ze zoeken op de minst gereguleerde bibliotheek ter wereld. En de grootste bibliotheek ter wereld. Dat is erg onverstandig. Net zo lang trainen totdat ze het zo doen dat de positieve kant van de Helsper-definitie bewaarheid wordt.”
ANNEKE: “Checken van informatie. En ook leren nuttige informatie opslaan en gebruiken. Dat wordt ook vaak vergeten, want dan hebben ze iets leuks gevonden, maar dan weten ze niet meer waar het stond. Dat is ook iets wat je moet leren. En dat moet je samen doen.”
ANNEKE: “En vervolgens samen genieten van wat je gevonden hebt. Want het moet eigenlijk gewoon een sport worden, dit. Je ziet vaak internetdetectives in dit type onderwijs.”
REMCO: “Je hebt het over samen genieten. Dus toch ook het plezier vinden in wat je digitaal doet?”
ANNEKE: “Ja, dat doe je ook met die boeken. Je geniet samen van die boeken. En je geniet hier ook van wat je digitaal vindt. En je zoekt altijd naar dingen die je gewoon voor je onderwijs kunt gebruiken natuurlijk. Die een verrijking betekenen voor je huidige methode. En er is veel te vinden. Dus je gaat ze laten zien, die kant van het leren en ontwikkelen. Dus je bent bezig met die kant van leren en ontwikkelen terwijl je ook informatievaardigheden aan het doen bent. Dus in feite past het naadloos in je inhoudelijke onderwijs.”
Beeldtekst:
Journalistiek, nieuws en fake news
Axelsson et al., 2021; Johnston, 2020
- Hoe werken journalisten?
- Waar vind je hun nieuws (niet)?
- Echt nieuws schrijven
- Factchecking, belangen
- Nepnieuws schrijven
ANNEKE: “Nou ja, journalistiek is natuurlijk ook een heel mooi onderwerp. Aan welke eisen moeten journalisten voldoen?”
REMCO: “Hoort allemaal bij informatievaardigheden.”
ANNEKE: “Vooral bij informatievaardigheden, omdat fake news ook bij informatievaardigheden hoort. Met wat ik net verteld heb, heb je eigenlijk al een deel van het probleem getackeld, omdat je ze kritisch leert kijken. Je hoopt dat ze nu fake news kunnen herkennen. Tegelijkertijd komt daar nog iets meer bij kijken. Want fake news circuleert niet alleen op het helemaal open internet, maar ook op stukjes van het internet die niet open zijn. Op social media of op beroerde kanten van het internet. Dus je moet ze uiteindelijk leren wat fake news is. Wat de belangen zijn van mensen die fake news produceren. Je moet heel erg gaan kijken, net als net bij de websites die je gevonden hebt in je zoekopdracht. Wat zijn dit voor mensen die hierachter zitten? En wat hebben zij voor belang? Het is niet technologie die de schuld is. Het is ook niet technologie die de oplossing is. Het zijn gewoon voortdurend mensen met al hun makkes die daarachter zitten.”
REMCO: “En hun bedoelingen vooral. En belangen.”
ANNEKE: “Met hun belangen. Politieke systemen met hun belangen. Maar die zijn ook altijd weer belichaamd door mensen. En gemaakt door mensen.”
REMCO: “Misschien een tip bij deze slide, dat Het Klokhuis onlangs prachtige afleveringen over de journalistiek heeft gepubliceerd.”
ANNEKE: “Ga die allemaal gebruiken. Ja.”
REMCO: “Het mooie is dat het allemaal super informatief en leerzaam is maar dat je altijd die sketches erin hebt. Dus ook de humor.”
ANNEKE: “Ja, ook de humor. Ja, want dat is nu juist ook van belang.”
REMCO: “Als je het hebt over samen genieten, dan is humor natuurlijk een heel belangrijk element. Ook in relatie tot zo’n serieus onderwerp.”
ANNEKE: “Informatievaardigheden zijn helemaal niet taai. Ze zijn eigenlijk heel spannend. En je kunt met z’n allen fake news gaan schrijven. En echt nieuws. En dat kun je gaan vermengen in een quiz. Je kunt daar de prachtigste… En dat doe je niet één keer, want dit hebben we niet in één keer geleerd. Hier moeten we een tijd mee bezig zijn. Maar dan ben je toch ook bezig met schrijfonderwijs.”
REMCO: “Ja.”
ANNEKE: “Het is eigenlijk gewoon een heel zinvol onderdeel. Dit zijn hele zinvolle toevoegingen aan het onderwijs, maar eigenlijk niet eens toevoegingen. Ze maken het onderwijs ook als geheel beter.”
REMCO: “Ja, en dat laatste blokje, Anneke. Praat je digiwijs, brengt dat het geheel bij elkaar?”
ANNEKE: “Het brengt het geheel deels bij elkaar. Praat je digiwijs is vaak unplugged, niet altijd.”
REMCO: “Het is niet Klik je digiwijs, maar Praat je digiwijs.”
ANNEKE: “Het is niet Klik je… Nou, dat is de grote revolutie in digitale geletterdheidland.”
REMCO: “En dan nog steeds kun je klikken. Alleen altijd in de context van dat gesprek, als ik je goed begrijp.”
ANNEKE: “Ja, eigenlijk wel.”
Beeldtekst:
5. Praat je digiwijs
- Aanleiding (prompt)
- Denkvraag – denktijd
- Gelijkwaardig gesprek
Anneke toont op de slide een afbeelding van de praatkaartenset De Internet Helden en van het boek Van digibeet naar mediawijs – Olivier Van Roy.
ANNEKE: “Praat je digiwijs zal ik vooral nu even aanvliegen vanuit het perspectief van de leraar, van: hoe doe ik dat? We hebben dat eigenlijk al besproken aan de hand van boeken. Het is eigenlijk altijd handig om een of andere gespreksaanleiding te hebben. Sommige leraren gaan zitten met hun klas en die willen een gesprek hebben over mediawijsheid. En dan komt er niks van de grond. Eigenlijk heb je altijd een aanleiding nodig.”
REMCO: “Een prompt.”
ANNEKE: “Ja, ik noem dat een prompt. Maar dat is een beetje een wetenschappelijke uitdrukking. Maar het is gewoon een concrete gespreksaanleiding. Verder geef je denktijd over de vraag die je stelt. En stuur je er vooral op aan dat er een gelijkwaardig gesprek komt, ook tussen de kinderen onderling. Dus jij faciliteert en modereert het gesprek. Dus op een gegeven moment moet je… Dan heeft iemand iets gezegd en dan zeg je gewoon: Kan iemand hier op reageren of heeft iemand hier iets aan toe te voegen? Op die manier stimuleer je dat dat gesprek ook onderling tot stand komt. Dat het niet zo’n pingponggesprek tussen leraar en leerling wordt. Dus je moet je zelf af en toe op de vlakte houden. Dus heb een goede aanleiding.”
REMCO: “Dat kan een gebeurtenis zijn.”
ANNEKE: “Dat kan een gebeurtenis zijn, maar ook een filmpje.”
REMCO: “Een item in het nieuws.”
ANNEKE: “Eentje van Het Klokhuis, kan het zijn. Een item in het nieuws kan het zijn. Een krantenartikel kan het zijn. Er zijn iedere dag nieuwe aanleidingen. Dit is zo hot. Dit is iedere dag in het nieuws.”
REMCO: “Maar een leraar zal zeggen: Ik voel me zo ondeskundig. Maar jij zegt: Je moet vooral actief kunnen luisteren en dat gesprek kunnen voeren.”
ANNEKE: “En dat gesprek kunnen voeren.”
REMCO: “En jezelf ook niet in de weg zitten van: ik weet hier te weinig over.”
ANNEKE: “Nou, dat mag je eerlijk toegeven op een gegeven moment. Leg het mij eens uit. Zoals ik zei, wij zijn allemaal op weg in die ontwikkeling. Dus wij ontwikkelen ons aan iedereen met wie we hierover praten, ook aan leerlingen.”
REMCO: “Wat is de gouden vraag?”
(STILTE)
Anneke denkt na in stilte.
ANNEKE: “Ja, dat weet ik niet zo goed.”
REMCO: “Je laat een stilte vallen, ook belangrijk.”
ANNEKE: “Een stilte. Nou, stiltes zijn goud waard.”
REMCO: “Ja.”
ANNEKE: “Ik stel een vraag. Er komt geen antwoord op. En dan laat ik de stilte groeien. Dan komt er altijd een antwoord.”
REMCO: “Prachtig. Ja, een hele mooie.”
Beeldtekst:
Gelijkwaardig gesprek
- Leraar faciliteert en luister
- Iedereen doet mee
Hu & Wang, 2022; Smits et al., 2021
ANNEKE: “Nou, we hebben dit gezegd. De leraar faciliteert en luistert. Iedereen doet mee. Dat hebben we net uitvoerig toegelicht.”
Beeldtekst:
Think
Write
Pair Share
Harvard Graduate school of education
PZ Project Zero
Denkvraag en denktijd https://pz.harvard.edu/thinking-routines
ANNEKE: “Een fijne techniek is: denken, schrijven, delen, uitwisselen. En ook random leerlingen aan bod laten komen. Maar uiteindelijk valt die techniek weer weg als het gesprek loopt. Maar het punt is, als je van tevoren kinderen al iets laat opschrijven over wat ze gedacht hebben over jouw vraag, en even laat uitwisselen met een ander, dan hebben ze in ieder geval iets om in te brengen in het gesprek. En dan benadeel je niet die kinderen die wat meer introvert zijn. Anders zijn altijd je extraverte leerlingen aan bod. En dat is ontzettend jammer. Dat is ook niet goed voor de andere leerlingen. Want die gaan er dan bij zitten van: daar gaan we weer.”
REMCO: “Ja.”
Beeldtekst:
Veel boeken (voor)lezen
Lees je digiwijs
Matig je ICT-gebruik in de klas
Dagelijks samen zoeken: stimuleren informatiebehoefte
Praat je digiwijs
ANNEKE: “Samenvattend: wat is nou het allerbelangrijkste om te doen? Veel boeken (voor)lezen. Ook boeken over de digitale wereld. Liefst thematisch. Dus twee boeken achter elkaar over de digitale wereld die een iets verschillend perspectief bieden. Lees je digiwijs. Dat is eigenlijk hetzelfde. Maar kinderen kunnen zichzelf natuurlijk ook digiwijzer lezen. Matig je ICT-gebruik in de klas. Denk ook aan wat je uitstraalt met je eigen ICT-gebruik. Want je geeft een voorbeeld. Omdat je een pedagogische relatie hebt met het kind, ben je ook een belangrijk voorbeeld. Dat betekent dat je bijvoorbeeld ook na moet denken over je eigen telefoongebruik in de klas. Dus je bent niet alleen iemand met wie ze iets gaan leren, maar ook nog iemand die een voorbeeld geeft. Jouw keuze van ICT is een voorbeeld voor de kinderen. Zoek dagelijks samen in de klas. Laat kinderen niet alleen ronddobberen op internet. En praat je samen digiwijs. Dat is een voortdurend ontwikkelingsproces.”
REMCO: “Mooi.”
ANNEKE: “Dat is de korte samenvatting.”
REMCO: “Anneke Smits, dank je wel voor dit college, dit verhaal dat we samen hebben gedaan.”
ANNEKE: “Jij dank je wel voor je mooie vragen.”
REMCO: “Gelukkig was jij vooral aan het woord, dat was beloofd.”
Remco richt zich tot de kijkers.
REMCO: “Dank je wel voor jullie aandacht. Dit was het eerste wetenschapscollege over digitale geletterdheid. Er is ook nog een praktijkcollege, gegeven door Matijs Lips. Absoluut ook aan te raden. Die twee kun je eigenlijk niet los van elkaar zien. Er komen nog meer colleges aan, met onderzoekers. Soms een hoogleraar, soms een lector, maar altijd prijs. Ik zou vooral zeggen: kies wat je leuk vindt, wat bij je praktijk past. Hopelijk word je er wijzer van en kun je er wat mee in de praktijk. Dank je wel.”
Het logo van Expertisepunt digitale geletterdheid verschijnt in beeld, gevolgd door de logo’s van partnerorganisaties.
Logo’s:
I&I Vakvereniging informatica & digitale geletterdheid
SLO een doordacht curriculum dat doen we samen
Platform VVVO Vakinhoudelijke Vereniging Voortgezet Onderwijs
JEDi Jeugd en digitalisering
Netwerk Mediawijsheid
NRO Nationaal regieorgaan onderwijsonderzoek
PO Raad
VO Raad
In dit wetenschapscollege ‘Digitale geletterdheid onderwijzen’ gaat Anneke Smits, begeleid door Remco Pijpers, in op:
- Hoe kunnen we digitale geletterdheid begrijpen? (vanaf 01.57)
- Wat weten we uit onderzoek? (vanaf 10.29)
- Over leerkrachtvaardigheden met betrekking tot informatievaardigheden (vanaf 38.50)
Praktijkcollege door Matijs Lips
Matijs Lips laat in praktijkcollege ‘Digitale technologie en ik’ zien hoe hij in het vak Nederlands digitale geletterdheid onderwijst.
- De zes ontwerpprincipes voor effectieve vakintegratie van (Nederlandse) taalonderwijs en digitale geletterdheid (vanaf 02.27).
- Digitale geletterdheid en taal-leesonderwijs in de praktijk: een voorbeeld-module (vanaf 04.22).
- Opbrengsten, (boek)tips en (concept)kerndoelen (vanaf 20.16).
Meer weten?
Hieronder lees je verder over de bronnen uit het wetenschapscollege:
- Peil.Digitale geletterdheid einde basisonderwijs.
- Internationaal peilingsonderzoek digitale geletterdheid ICILS 2023.
- Reviewstudie Digitale Geletterdheid in het voortgezet onderwijs.
- Samen op pad naar digitale geletterdheid.
- Online vaardig begint offline.
- Alles met mate: ICT- en leesprestaties van Nederlandse 15-jarigen.
- Waarom sommige leraren mediawijsheid onderwijzen en anderen niet.
- GEM-rapport – Technologie in het onderwijs: een hulpmiddel onder voorwaarden.
Over de wetenschapscolleges
De wetenschapscolleges zijn bedoeld voor onderwijsprofessionals die digitale geletterdheid doordacht willen integreren in hun onderwijs. Elk college bestaat uit een wetenschappelijk deel en een praktijkcollege met concrete voorbeelden en handvatten. De colleges worden door Kennisnet georganiseerd vanuit het Expertisepunt digitale geletterdheid, in samenwerking met SLO, PO-Raad, VO-raad, vakvereniging i&i, Netwerk Mediawijsheid, Platform VVVO, NKO, ResearchED NL en JEDi.